VENOM: Tussen traditie en vernieuwing
Venom behoorde in de jaren tachtig zonder twijfel tot de meest extreme bands in de metalscene, een periode waarin absolute chaos nooit ver weg was. Venom zal waarschijnlijk vooral worden herinnerd om hun platen uit de eerste helft van de jaren tachtig, die inmiddels klassiekers in het genre zijn geworden. Wat frontman Cronos met zijn makkers Rage (gitaar) en Dante (drums) echter ondertussen al jarenlang aflevert, kunnen we eveneens zeer waarderen. De nieuwe langspeler ‘Into Oblivion’ is dan ook een coole plaat geworden die alles bevat wat je van een Venom-album mag verwachten. Een interview met Cronos is bovendien allesbehalve saai.
‘Into Oblivion’ is het eerste nieuwe studioalbum van Venom sinds ‘Storm The Gates’ en de vierde plaat met de bezetting van Rage, Dante en jou. Jullie spelen inmiddels al meer dan vijftien jaar samen. Ontdekken jullie na al die jaren muzikaal nog steeds nieuwe dingen bij elkaar of weten jullie inmiddels instinctief wat de ander gaat doen?
‘Ik heb het al vaker gezegd, maar ik wou echt dat ik deze twee gasten veertig jaar geleden al in de band had gehad. Al was dat natuurlijk niet echt praktisch geweest, want toen waren ze nog kinderen (lacht). We kunnen het ontzettend goed met elkaar vinden. In de geschiedenis van Venom zijn er veel gitaristen en drummers gekomen en gegaan, maar zowel Dante als Rage hebben dezelfde mentaliteit. We willen vastleggen waar Venom voor heeft gestaan en dat vervolgens op onze eigen manier, met onze eigen vibe en persoonlijkheid, opnieuw uitvinden voor de toekomst. Het is fantastisch om mensen in de band te hebben die niet bang zijn om nummers als ‘In Nomine Satanas’, ‘Bloodlust’ en ‘Witching Hour’ te spelen, simpelweg omdat ze het leuk vinden. Ze begrijpen die nummers en weten ook dat de fans er dol op zijn. Tegelijkertijd proberen ze niet te klinken als iemand die hen is voorgegaan; ze willen niet lijken op een voormalig bandlid of iemand anders. Ze willen gewoon zichzelf zijn. Wat ze aan Venom kunnen toevoegen, is belangrijk – voor de fans en voor onze muziek. We houden black metal levend.’
In ons vorige interview zei je dat je een eigen studio hebt waar de band meerdere keren per week samenkomt, simpelweg omdat jullie graag samen spelen – niet alleen om te repeteren of op te nemen. Is dat de afgelopen jaren tijdens de COVID-periode nog steeds gelukt?
‘Niet altijd, en dat is ook een van de redenen waarom ‘Into Oblivion’ zo laat verschijnt. COVID heeft niet alleen de band geraakt, maar ook ieders persoonlijke leven beïnvloed. Het feit dat we niet op de gebruikelijke manier konden samenkomen, was een grote uitdaging. Aan de andere kant was het ook interessant, omdat het ons de kans gaf om meer te schrijven en met nieuwe ideeën te komen. Wat volgens mij heel duidelijk naar voren komt op ‘Into Oblivion’, is dat er geen enkel ‘wegwerpnummer’ op staat of iets dat ook maar enigszins minder dan 110% is. Alle nummers zijn tot in detail uitgewerkt, en dat komt vooral omdat we de tijd hebben gehad om dat te doen. Soms gingen we terug naar een opname die we een maand eerder hadden gemaakt en zeiden we tegen elkaar: ‘Dit kan beter. Laten we opnieuw beginnen!’. Na een show die we een paar jaar geleden gaven, kwam Dante naar me toe en zei dat hij een aantal drumpartijen die we al hadden opgenomen voor de nieuwe nummers opnieuw wilde inspelen. Ik was daar echt verbaasd over, want drummers hebben daar meestal een hekel aan (lacht). Maar Dante wilde dat het album zo goed mogelijk zou worden en dacht dat hij het beter kon. We hadden de mogelijkheid om dat te doen, dus hebben we het ook gedaan. Als ik die tracks nu herbeluister, denk ik ook dat hij gelijk had, omdat we de tijd hebben gehad om de nummers echt te laten bezinken en ze volledig te doorgronden.’
De voorganger ‘Storm The Gates’ werd opgenomen in Thunderoar OQB Studios. Is dat je eigen studio?
‘Inderdaad, al verandert de studio regelmatig van naam. Inmiddels heeft de studio de naam Thunderfire. Ik heb altijd mijn eigen studio willen hebben. Toen ik van school kwam en een baan kreeg bij Neat Recording Studio, kende ik die kant van het muzikantenbestaan nog helemaal niet. Ik kon gitaar spelen. Sommige familieleden van mij zijn drummers. Ik wist wel het een en ander over verschillende bands en muziekstijlen, maar een baan in een opnamestudio op mijn zestiende was echt een eyeopener. Ik had er meteen gevoel voor en was gefascineerd door hoe alles werkte. Vanaf dat moment zat de gedachte ‘Ik ga ooit mijn eigen studio hebben!’ altijd ergens in mijn achterhoofd. Ik vind het fantastisch dat ik kan opnemen wat ik wil, hoe ik wil en wanneer ik wil. Dat is geweldig, maar je moet ook je eigen beperkingen kennen. Ik denk dat ik uitblink in het opnemen zelf. Ik kan het echte drumgeluid en de authentieke klank van gitaarversterkers goed vastleggen. Maar als het gaat om mixen en masteren, geef ik dat liever uit handen aan iemand die daarin gespecialiseerd is, omdat die dat beter kan dan ik.’
Een meer uitgebreide versie van dit artikel lees je in RT 238.